In Den Haag wonen al zestig jaar Papoea’s die oorspronkelijk afkomstig zijn uit Nederlands laatste kolonie in de Oost: Nieuw-Guinea. De groep is niet groot en hun geschiedenis is bij de meeste Hagenaars onbekend. Maar een nieuwe generatie Haagse Papoea’s wil daar verandering in brengen. Zij zoeken de laatste jaren steeds nadrukkelijker een podium om hun verhaal te vertellen. Om de stilte over hun geschiedenis te doorbreken. Wie zijn deze Papoea’s? Wat willen ze vertellen?
Door: Nico Jouwe
“In onze gemeenschap zien we elkaar meestal op begrafenissen. Om het verdriet te delen, eten we samen. Dat is altijd gezellig en dan zeggen we: we gaan snel afspreken! Maar dat gebeurt dan niet”, vertelt Insos Ireeuw (56) aan een volle zaal in Museum Sophiahof aan de Sophialaan. Het publiek bestaat uit Papoea’s uit Den Haag en omstreken, en enkelen uit andere delen van het land. Daarnaast zijn er Indische en niet-Indische Nederlanders met een band met Nieuw-Guinea. Ze zijn op de laatste zondag van april afgekomen op de laatste van een serie van vier bijeenkomsten met de naam ‘Roemah Papoea’, een initiatief van Ireeuw.

Haar ouders, ook aanwezig, kwamen begin jaren zestig naar Nederland, toen Nederland vertrok uit Nieuw-Guinea, het laatste stukje Indië. “Ik heb Roemah Papoea opgezet om vooral de eerste-generatie-ouderen te laten vertellen over ons land en onze cultuur. Het worden er steeds minder, maar ze zijn er nog; de opa’s, oma’s, ouders, ooms en tantes. In Roemah Papoea, het huis van de Papoea’s, vinden we elkaar weer.”
Onbekend verhaal
Museum Sophiahof is blij met de bijeenkomsten volgens programmamanager Chrissy Flohr. “Het museum is een pleisterplaats voor iedereen die binding heeft met voormalig Nederlands Indië. De Papoea’s en hun geschiedenis vormen een onbekende groep met een voor veel mensen onbekend verhaal.” ln het museum zijn tussen de herfst van 2022 en de zomer van 2023 vier Roemah Papoea bijeenkomsten geweest, alsmede enkele andere middagen over voormalig Nederlands Nieuw-Guinea en de ontwikkelingen in het gebied.
Voormalige kolonie
Papoea’s zijn afkomstig uit wat tegenwoordig de meest oostelijke provincie van Indonesië is. Tot ver in 1962 vormde dit gebied Nederlands laatste kolonie in de Oost, Nieuw-Guinea. Papoea’s wilden met behulp van Nederland uitgroeien tot een zelfstandige, onafhankelijke natie, genaamd West Papua. Nederland vocht er een bittere politieke en deels gewapende strijd over uit met Indonesië, dat het gebied wilde inlijven. Onder druk van Amerika en de Verenigde Naties ruimde Nederland alsnog het veld. Op 1 mei 1963 kreeg Indonesië het gebied in handen. Zo’n driehonderd Papoeagezinnen vluchtten in de jaren zestig naar Nederland. Een deel daarvan vestigde zich in Den Haag. In de decennia daarna volgden er druppelsgewijs meer vluchtelingen. Cijfers over het precieze aantal in Den Haag (en Nederland) wonende Papoea’s zijn niet bekend, maar volgens een grove schatting gaat het in Den Haag om ruim twintig gezinnen en een onbekend aantal alleenstaanden. Alles bij elkaar tegen de tweehonderd mensen.
Kiezen tussen baan en ‘inheems’ meisje
Tijdens de eerste Roemah Papoea bijeenkomst ligt de nadruk op de eerste generatie. Ronduit hartverscheurend is het verhalende lied dat Eef Mamoribo (82) aan het begin van de middag zingt. Als jonge vrouw kreeg zij eind jaren vijftig in Nieuw-Guinea een verhouding met een Nederlandse bestuursambtenaar, vertelt dochter Bea ter introductie aan de zaal: “Dat mijn vader met een ‘inheemse’ jonge vrouw omging, werd niet gewaardeerd door de Nederlandse leiding. Hij moest uiteindelijk kiezen tussen zijn baan of zijn meisje. Nou, je ziet wat hij gekozen heeft!” Met een knipoog wijst ze naar zichzelf, een van de zes kinderen die uit het huwelijk voortkwamen. De zaal lacht. Maar dan wordt de toon serieuzer. Dat Nederland in 1962 uit de kolonie vertrok en de Papoea’s achter liet in de handen van de nieuwe machthebber Indonesië, had desastreuze gevolgen voor de bevolking, wordt via een filmpje uitgelegd. Verzet tegen de Indonesische overheersing werd en wordt met harde hand neergeslagen. “Mijn ouders zijn al begin jaren zestig naar Nederland gegaan”, vervolgt Bea. “Toen ik drie was, kwamen we in Den Haag wonen. Mijn moeder is begin jaren tachtig teruggeweest om traditionele liedjes en dansen op te halen. Van een oude vrouw leerde ze een ‘kayob’. Dat is een traditioneel klaaglied van het eiland Biak.

Papoea’s leggen hun ervaringen vast in liederen en verhalen. Dit lied had de vrouw gemaakt over de moord op haar zwangere dochter door Indonesische soldaten. Ze was vermoord omdat ze vrijheidsstrijders te eten had gegeven en voor ze had gebeden. De soldaten hebben als vergelding haar buik opengesneden en het kind als voetbal gebruikt. De oude vrouw wilde dat mijn moeder dit afgrijselijke verhaal met dit lied aan de wereld zou vertellen.” De gruwel van het gebeuren en het verdriet van de familie klinken door in Eef Mamoribo’s doorleefde vertolking. De zaal is eerst stil, maar dan volgt een emotioneel applaus.
Stilte doorbreken
Voor Raki Ap is Eef Mamoribo’s gezongen verhaal een van de vele schrijnende voorbeelden van de mensenrechtenschendingen door het Indonesisch leger. Ap is de bekendste Haagse Papoea. Hij is woordvoerder van de Free West Papua Campaign, de internationale lobbyorganisatie die pleit voor de onafhankelijkheid van West Papoea, zoals de Papoea’s hun land noemen. Als actieve klimaatactivist stond hij in 2022 op de lokale kieslijst van GroenLinks, maar haalde net geen zetel in de gemeenteraad. Zijn moeder vluchtte in 1985 met de eenjarige Raki en zijn broers naar Nederland. Ap: “Ik groeide op als gewone Haagse jongen. Maar toen ik vijftien, zestien was, veranderde er iets. Mijn moeder vertelde mij toen uitgebreid over de reden van onze vlucht.” Zijn vader Arnold Ap was antropoloog in West Papua en werd vier maanden voor Raki’s geboorte vermoord, omdat hij protestsongs schreef die Papoea’s inspireerden om te strijden voor onafhankelijkheid. Moeder Ap vluchtte met haar kinderen naar buurland Papua New Guinea. Raki kwam in een vluchtelingenkamp ter wereld. “Het verhaal veranderde mijn leven en ik wilde alles over onze geschiedenis en onze strijd weten. Tijdens de geschiedenisles op school had ik er nooit iets over gehoord. Op televisie zag ik er ook niks over. Dat gebrek aan aandacht is er nog steeds. Die stilte wil ik doorbreken.” Naast zijn baan op het Ministerie van Binnenlandse Zaken geeft hij wekelijks gastlessen en -colleges op allerlei scholen en opleidingen. Daarnaast houdt hij lezingen en workshops in binnen- en buitenland. “West Papua is het rijkste deel van Indonesië, door de grote koper- en goudmijn en andere bodemschatten. Maar de Papoea’s zijn het armst en slechtst opgeleid en hebben de laagste levensverwachting in Indonesië.” Volgens Ap is er sprake van langzame uitroeiing van de bevolking. “Bijna niemand kent dit verhaal. Nederlanders weten, terecht, alles van de oorlog in Oekraïne. Maar ze weten niets van de vele mensenrechtenschendingen in hun voormalige kolonie. Die onwetendheid kan toch niet voortbestaan? ”
Gek op voetbal
Ook Simon Sapioper (60) heeft als missie om de Papoea’s uit de vergetelheid te halen. Begin jaren negentig vluchtte hij samen met zijn vrouw en tweejarige dochter naar Nederland en belandde in Den Haag. Op een zonnige maar frisse zondagmiddag vertelt hij, staand op een bijveld van sportpark Nieuw Hanenburg hoe hij de Papoea’s een podium wil geven: via voetbal. In 2017 jaar geleden richtte hij in Den Haag de West Papua Football Association op. De organisatie vond aansluiting bij CONIFA, de internationale voetbalbond van niet-erkende landen en regio’s. Sapioper: “Papoea’s zijn gek op voetbal. Met onze bond hebben we een voetbalteam opgezet dat West Papua vertegenwoordigt. Daarmee hebben we internationale wedstrijden gespeeld tegen niet-erkende landen als Oost Turkmenistan, Katanga en Tamil Eelam. Met ons team brengen we hoop in de harten van alle Papoea’s.” Vóór de coronacrisis speelden er verschillende in Nederland wonende Papoea’s in het team. Maar deze middag worden de kleuren van West Papua vertegenwoordigd door spelers met roots in Caraïbische en Afrikaanse landen. Dat mag van de bond.

Op het sportpark van voetbal- en cricketvereniging Quick kijken we samen met Sapioper naar de wedstrijd die West Papua speelt tegen Raetia, de retro-Germaans sprekende regio uit het oosten van Zwitserland. Voor de aftrap klinken uit een megafoon de volksliederen. “Wij zijn trots om de voor de vlag van West Papua te spelen”, zegt aanvoerder Shadiro Rink (23) na afloop van de in 1-1 geëindigde wedstrijd. Hij is van Surinaamse komaf. “We voelen ons verbonden met de Papoea’s en willen ze graag meer bekendheid geven.” Een handjevol Papoea’s is op de wedstrijd afgekomen, waaronder journalist en activist Julia Jouwe (26). Ze heeft gemerkt dat met de toegenomen interesse in het koloniale verleden ook meer aandacht is voor de Papoea’s. Onlangs trad ze toe tot de Haagse adviescommissie koloniaal en slavernijverleden, die b&w van Den Haag gaat adviseren. Ze is oprichter van de Young Papua Collective, een landelijke groep jongere Papoea’s gericht op (h)erkenning van hun weggestopte geschiedenis. “Er is zoveel talent onder jonge Papoea’s. We willen ze helpen de podia van de wereld te bestormen. Wat voor podia dat ook zijn.”
Trots, vrijheid en zelfexpressie
Voor de jonge Haagse Papoeamuzikanten Robinson Jouwe en Insawairess Koerni lonkt een heel specifiek podium: dat van de muziek. Componist en singer-songwriter Robinson (29) heeft Jazz en Pop gestudeerd aan het conservatorium. Hij heeft net zijn eerste single en EP uitgebracht met een uitverkochte show in het Koorenhuis. Insawairess (19), artiestennaam Wairess, is een nieuw hiphoptalent dat haar nummers bij voorkeur op straat schrijft. In Museum Sophiahof staan ze tijdens Roemah Papoea samen op het podium te jammen. “Geef die beat nog eens”, zegt Robinson vanachter de piano. “Uhm, tah, tuh-tuh-tuhm-tah…”, beatboxt ze, waarna ze op de ritmische akkoorden van de piano rapt over familietrots en het gevoel van ontreddering over de onderdrukking van haar verre Papoeafamilie.

Ze moet nog wennen aan de plotselinge aandacht voor haar als artiest en de verantwoordelijkheid die dat met zich meebrengt. Robinson geniet van de lof voor zijn eerste single, de balad ‘Bird of Paradise’. Paradijsvogel is de vertaling van de Papoeanaam die hij van zijn grootvader kreeg: Tiache, in de taal van de clan. Een naam die hij met trots draagt. “Paradijsvogels staan wat mij betreft symbool voor vrijheid en zelfexpressie. Daar gaat mijn muziek ook over.” Hij legt uit dat dat verlangen de Papoea’s verbindt met andere onderdrukte gemeenschappen, zoals de LHBTI+ gemeenschap, waar hij zelf ook toe behoort. “Iedereen mag trots zijn op wie die is. Gooi die beat er nog eens in!” roept hij naar rapper Wairess en opgewekt spelen ze verder. Het publiek in de Sophiahof klapt ritmisch mee. Organisator Insos Ireeuw kijkt tevreden als muzikanten uitgespeeld zijn. “Hier mogen we als Papoea’s trots op zijn: ouderen die onze cultuur doorgeven aan de jongeren. Die geven met de muziek opnieuw vorm aan wie wij zijn. Wij hebben niet alleen een verleden, we hebben ook een toekomst.”
Dit artikel is tot stand gekomen met financiering van het Mediafonds van de Provincie Zuid-Holland.